Kernwaarden toeristisch Zeeland

Smaakvol

In Zeeland eet je van juli tot maart mosselen, van april tot juli kreeft uit de Oosterschelde en van september tot april oesters. Vis is ook gewild, van de visboer of zelfgevangen. Je let erop dat de vis vers is, uit de buurt komt en dat je hem zonder veel poespas bereidt. Je eet er zeekraal of lamsoren bij, die je bij een ‘mannetje’ koopt. Verse groente koop je langs de weg, bij de boer. Meestal is dat zelfbediening: het verschuldigde bedrag laat je achter in een daarvoor

bestemd potje. Van aardappels uit de Zeeuwse klei maak je friet of een stamppot. Zo’n degelijke Zeeuwse stamppot met nét dat vleugje zuidelijke flair, zoals preiprol, waar een scheut goeie witte wijn en goeie azijn doorheen hoort.

Aandacht

In Zeeland neem je de tijd. Dat gaat vanzelf. Ook als je aan het werk bent. Dat levert degelijke kwaliteit op. Een Zeeuw is zuinig. Niet gierig, maar zuinig op z’n spullen. Dingen moeten lang mee kunnen gaan. In Zeeland kun je makkelijk loskomen van je alledaagse leven. De klok is hier minder belangrijk, je hebt tijd voor jezelf en voor elkaar.

Puur

Zeeuwen hechten waarde aan hun erfgoed: monumenten, dialect, het landschap, regionale sporten. Al geeft niet iedereen er evenveel om, het definieert wie je bent en waar je vandaan komt. De andere kant van Zeeland definieert wie je kunt worden en waar je naartoe gaat: waterbouwkundige hoogstandjes, scheepvaart, windmolenparken en zware industrie. Misschien minder mooi maar wel onderdeel van het dagelijkse leven. Ergens ben je er

trots op. Trots, moeilijk woord is dat. Daar heb je het niet snel over. De mensen hier hebben geen grote mond. Het zijn harde werkers, die niet snel het achterste van hun tong laten zien. Dat is niet bot, dat is een vorm van beleefdheid, een ander met rust laten. Maar om Zeeuwen te leren kennen, hoef je geen moeite te doen. Liever niet. Je moet gewoon even wat geduld hebben.